Posts tonen met het label Lezen - literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lezen - literatuur. Alle posts tonen

zaterdag 31 mei 2014

Lang geleden

Gisteren nog eens 3 zaken gedaan waarvan het al veel te lang duurde dat het er nog eens van gekomen was en er echt van genoten :

a) voor het eerst sinds de opening op de nieuwe plek (toch alweer bijna anderhalf jaar blijkbaar, nadat de winkel zijn oude vertrouwde stek in een wat onderkomen winkelgalerij gedwongen moest verlaten) de muziek Caroline echt bezocht en er ook voor het eerst iets gekocht : 'Cosmic Slop' van Funkadelic, een compilatie van Sam & Dave en de 1ste van Mano Negra (Patchanka ; jeugdsentiment). Het aanbod nieuwe vinylplaten is indrukwekkend en blijkbaar hebben ze een niche gevonden in de markt, want de winkel houdt het dus al ruim een jaar vol. Ik vermoed dat veel van de oude klanten de weg er naartoe teruggevonden hebben. Goede zaak.

b) voor het eerst sinds erg lang (zowat 3 jaar schat ik) nog eens een hele rit fictie kunnen lezen in de trein. Sinds 2011 heb ik er ofwel geen tijd meer voor gehad, ofwel non-fictie gelezen. Het was fijn me nog eens te kunnen onderdompelen in een (korte) roman : 'De eeuwige echtgenoot' van Dostojevski. Op zich niet meteen de meest opbeurende lectuur, maar ik kikkerde er merkbaar van op eens meer dan amper een paar bladzijden na elkaar te kunnen lezen. Wat Dostojevski en de trein betreft nog een leuke anecdote : enkele weken geleden zat ik op de terugreis van het werk tegenover een vrouw die ik wel vaker zie. In mijn tas zat dus 'De eeuwige echtgenoot', maar ik was eerst begonnen om de krant van de voorgaande dag verder uit te lezen. Tegelijk zat zij in een turf van een boek ; ook een Dostojevski ('De idioot', wel in het Engels). De tweede helft van de treinreis zaten we zodoende beide in een boek van deze Russische schrijver te lezen. Het is wel niet tot een gesprek gekomen.

c) voor het eerst in jaren heb ik gisteren Italiaans moeten spreken en, wonder boven wonder, het ging nog redelijk. Het hielp daarbij natuurlijk dat het 'gesprek' hoop en al 2 minuten duurde. Iemand vroeg me bevestiging of hij wel op het juiste perron stond voor de trein naar de luchthaven van Zaventem. Ik heb hem dan maar zo goed en zo kwaad als het ging te woord gestaan en meen begrepen te hebben dat hij me begreep. Al is dat niet helemaal zeker, want meteen daarna klampte hij een treinbegeleider aan, maar die straalde in de gegeven omstandigheden wellicht iets meer expertise uit. Alhoewel ik betwijfel dat diens Italiaans even vlekkeloos was als het mijne !

zondag 15 december 2013

Drukke oktobermaand (2)

Na het verslag over onze culturele activiteiten in gezinsverband tijdens de maand oktober, hier een beknopte opsomming over de andere helft van onze drukke agenda tijdens die maand.

Eerst werden M. en ik in ons cultuurcentrum verwacht voor een opvoering rond de roman 'De Idioot' van Fjodor Dostojevski, gebracht door theatergroep Lazarus. Die roman heb ik minstens 10 jaar, mogelijk 14 jaar geleden geleden gelezen en ik herinner dat het na verloop van tijd een echte pageturner werd die ik in amper enkele dagen had uitgelezen (we waren toen ook wel met vakantie, wat hielp). Daarna heb ik nog een verfilming gezien en nu dus een theaterbewerking.
Het werd voor M. en mij toch wel een geslaagde avond, ook al ben nog steeds niet helemaal vertrouwd met een aantal theaterconventies en begrijp dus ook lang niet alles. Vooral de van oorsprong Poolse acteur vond ik wel leuk.
Het personage van de de idioot snapte ik in dit stuk wel niet helemaal. De scène waarin de spelers onder meer de spoorwegen bekritiseren was wel erg geslaagd.

Tien dagen later was het Marc Ribot Trio in onze streek aanbeland en een mooie gelegenheid voor mij om geleden schade in te halen, want ik had Marc Ribot al enkele malen eens live aan het werk willen zien, maar om uiteenlopende redenen, en dan vooral tamheid van mijn kant, was het er nog nooit van gekomen.
Het werd een mooie avond. Bij velen doet zijn naam niet meteen een belletje rinkelen, maar toch zullen ze hem wellicht al aan het werk gehoord hebben, omdat hij een erg gewaardeerd gitarist is die al met vele groten uit de muziek heeft samengewerkt, zoals ook te lezen is in de bovenstaande link. Blijkbaar was het concert lang niet uitverkocht, want in extremis werd beslist dat het plaatsvinden in de kleinere zaal, de Kuub. Die zat wel aardig vol. Het zal voor een artiest wellicht ook leuker zijn om te spelen in een kleinere, volgepakte zaal dan in een grote met veel lege plaatsen.
Ribot kwam heel relax het podium op, waarbij hij een zandloper meedroeg en waarop hij zich baseerde om te weten hoe lang het concert al duurde.
De andere leden van zijn trio zijn Henry Grimes (bass en viool) en Chad Taylor (drums).
Het werd een fijne avond. De drie muzikanten waren goed op elkaar ingespeeld en terwijl de ritmesectie (drummer en bassist)zich goed van hun taak kweten, kon Ribot zich uitleven.
Een grappig contrast daarbij vormde na verloop van tijd de houding tussen Ribot en Grimes : terwijl de ene meer en meer opging in zijn (gitaar)spel, keek de oudgediende doodgemoedereerd voor zich uit, ogenschijnlijk verveeld aan zijn bas tokkelend.

Na een paar maal zijn zandloper te hebben omgedraaid, maakte de 'orkestleider' er een einde aan, maar niet na eerst nog eens helemaal het beste van zichzelf gegeven te hebben. Ribot communiceerde wel weinig of niet met het publiek, maar gaf wel een fijn concert, temeer omdat ik geen speciale verwachtingen had, aangezien ik de groep nog nooit aan het werk had gehoord, en de aparte bandleden evenmin.

Ons 3de en laatste evenement in de maand oktober vond op de 22ste plaats in het Koninklijk Circus in Brussel : een concert van de Britse groep Tindersticks.
We hadden hen in '99 ook al aan het werk gezien, in dezelfde zaal en ik herinner me dat ik toen wat teleurgesteld was.
De eerste stap was om met de auto naar het werk te gaan, wat op een weekdag zowat de 2de of 3de maal moet zijn geweest in de 13 jaar dat ik daar al actief ben. Thuis zowat om half zes 's ochtends vertrokken om zo te trachten de files te vermijden en wat werk gedaan te krijgen voordat de andere collega's aankwamen en de 'klanten' wakker werden en me met telefoons begonnen te bestoken. Dat lukte aardig en voor 7 uur zat ik al achter m'n bureau.

's Avonds dan M. opgewacht in het Noordstation, waar ze wat overstuur aankwam na een vervelende familiegeschiedenis waarbij R. onterecht de volle laag had gekregen. Het was dus tijd voor troostvoeding en liever dan haar naar de vlakbij gelegen Exqi mee te nemen, koos ik dan maar voor Pho Pho. En blijkbaar beviel het haar daar, ze was in alle geval positief verrast.
Van daar gingen we dan te voet naar het Koninklijk Circus, waar we nog RD en zijn ex tegen het lijf liepen en ook vanuit de verte PC ontwaarden tussen het publiek.

De groep leek niet van meet af aan op dreef, wat ook benadrukt werd door een (geplande) pauze na amper 20 à 30 minuten maar de muziek was wel mooi, al (her)kende ik lang niet alle nummers. Hun recentere cd's heb ik dan ook nooit gekocht. Na de pauze leek de groep er meer zin in te hebben en bleef nog zo'n 2 uur aan een stuk doorspelen. De zanger Stuart Staples had het mompelen nog niet afgeleerd, maar dat vormde geen probleem en het maakt dan ook deel uit van het geluid van de groep.
Rond half elf stonden we opnieuw buiten en na wat te hebben nagekaart met PC, vertrokken we naar huis. Iets voor 1.00 uur lag ik in bed, in de wetenschap dat ik de dag erna weer moest gaan werken, aangezien ik m'n aangevraagd verlof moest intrekken nadat een collega plots verlof nodig had. Maar dat kon de pret niet drukken ; blij om Tindersticks nogmaals aan het werk gezien en gehoord te hebben.



In november zijn we ook nog naar een indrukwekkende uitvoering geweest van het toneelstuk "Phaedra" in een versie van de Russische dichtster Marina Tsvetaeva en in een bewerking van Theater Zuidpool. Hier is Phaedra veel minder een booswicht dan een slachtoffer (van de goden, alweer ? of het lot). De opening van het stuk is al sterk, waarin twee kompanen van Hyppoliet de jacht en de mannelijke deugd bezingen. Spin in het web is niet Phaedra zelf, maar haar voedster, al bedoelt deze laatste er eigenlijk geen kwaad mee, maar wil ze de door haar grootgebrachte vrouw eerder gewoon helpen in de liefde. Hyppoliet lijkt in het begin helemaal niet op een heldhaftige man ; hij heeft meer weg van een knuffelbeer, maar gaandeweg krijgt hij meer 'carrure'.
Theater Zuidpool heeft hier puik werk afgeleverd.

Voor volgend jaar staan voor ons beiden nog een toneelstuk gepland (Misdaad en straf (of Schuld en boete) van Dostojevski, een concert van Daan en een opera van Sjostakovitch). Drukke tijden in het verschiet dus.

maandag 4 maart 2013

Maxim Februari

De boekenbijlage die vorige week in onze krant verscheen, bevatte ook een interview met de schrijver Maxim Februari.
Op zich niets vreemd aan eigenlijk, maar het bijzondere aan deze persoon is dat hij geboren werd als Marjolijn Drenth.
De schrijver is dus een transseksueel en zijn (?) boek heet 'De maakbare man'.

Wat ik vreemd vond aan mezelf, was dat ik aanvankelijk wat schroom voelde om het interview te lezen. Ik beschouwde het als een soort inbreuk op de privacy van de persoon in kwestie en vond het eerst nogal voyeuristisch, bijna op het randje van een freak show.
Het boek komt jammer genoeg ook nauwelijks aan bod. Geen idee of dat komt doordat het vanuit literair oogpunt niet interessant genoeg is, maar het gesprek draait bijna volledig om de ervaringen en bedenkingen van Maxim Februari. Wellicht levert dat voor de leek inderdaad al wel genoeg gespreksstof op.

donderdag 3 januari 2013

Zwerfboek

Maandagmiddag, 31 december 2012, toen ik in het Zuidstation de trein terug naar huis wilde nemen, vond ik op het tabletje van de zitplaats waar ik ging zitten een 'zwerfboek'.

Het boek zelf, "De geheime mailtjes van Maxima en Mabel" uit 2004, liet me vrij koud, maar het initiatief om ergens een boek achter te laten zodat de argeloze vinder het zou lezen, sprak me wel aan.
Aan de binnenkant van de kaft staat er de volgende tekst :
"Dit is een vrij boek !
Meld je vondst.
Lees het boek.
Laat weer vrij.
[...]kijk waar het boek al geweest is, en vertel waar jij het hebt gevonden !"
Op de achterflap staat dan weer : "Zin om te lezen ? Neem me dan mee !".

Er blijkt dus een organisatie te bestaan die het lezen op deze manier wil promoten, daarbij dus rekenend op de bereidwillige medewerking van de vinders. Ik weet nog niet waar ik 'mijn' exemplaar ga achterlaten, maar wellicht niet op de trein richting Brussel.

donderdag 24 maart 2011

Update qua lezen

Nu ik ziek thuis zit, maak ik van de gelegenheid gebruik om snel-snel (m'n ogen doen pijn van het staren naar het computerscherm) een update te geven van m'n lectuur van de voorbije weken.

Eerst heb ik de vuistdikke 'Romans libertins du XVIIIe siècle' uitgelezen. De drie laatste werken voegen al bij al weinig toe aan de rest. Het betreft 'Les malheurs de l'inconstance' van Claude-Joseph Dorat, 'Félicia ou mes fredaines' van Andréa de Nerciat en tot slot 'Point de lendemain' van Vivant Denon.
'Les malheurs...' is ronduit vervelend en gaat de moraliserende toer op ('deugdzaamheid' is de enige juiste weg, anderen verleiden enkel voor je genot of om hen te kwetsen is verwerpelijk). Het werk wordt in mijn ogen enkel het lezen waard wanneer de booswicht aan het woord is en dat is wellicht niet de bedoeling geweest van de auteur.
'Félicia ou mes fredaines' valt nog mee. Het vertelt de avonturen van een vrouw die altijd tijdens haar 'losbandige' leven en het zich dan ook geen seconde beklaagt nu ze zich eindelijk aan iemand hecht. Het was gewoon een manier van (over)leven zoals een andere.
'Point de lendemain' is een bijzonder kort verhaal dat een soort van eerbetoon vormt op de libertijnse levenswijze. Een dame van adel verleidt een jongeling om zich te vermaken en zich wat te wreken op haar man en minnaar.

Daarna begon ik aan een radicaal ander boek : 'Is dit een mens' van Primo Levi, waarin hij het jaar beschrijft dat hij in Auschwitz belandde. Pakkend boek dat ik soms opzij heb moeten leggen om wat te mijmeren. Levi wisselt concrete gebeurtenissen die hij meemaakte af met meer beschrijvende en beschouwende. Het is een vrij dun boek dat onvermijdelijk aan het denken zet. Meer dan een aaneenschakeling van gruwelen is het boek een soort ode aan de vriendschap en nodigt het uit tot nadenken over de mogelijke gevolgen van extremisme en menselijkheid (in zowel positieve als negatieve zin).
Minpunt aan de uitgave die ik heb gelezen : er is relatief weinig duiding bij. Op dat vlak doen Franstalige uitgaven het doorgaans toch beter.


Tot slot las ik 'In de gouden buik van Bouddha' van de Nederlands-Palestijnse auteur Ramsey Nasr. Daarin verhaalt hij over zijn reis naar Birma/Myanmar die hij ondernam samen met twee medische ploegen. Het is een mooi geschreven boek waarin Nasr soms mooit met woorden goochelt en hij waarin hij ertoe komt een aantal zekerheden en de Westerse mens en diens levenswijze enigszins in vraag te stellen. De extreme armoede van de bevolking, haar ogenschijnlijke berusting in haar lot en de merkbare, brutale onderdrukking ervan door de militaire machthebbers zetten hem aan het denken over hoe de Westerling in het leven staat.

Het volgende boek wordt 'Het verdorven genootschap' van de Duitser Philipp Blom, gewijd aan een aantal bekende en ook minder bekende (of wat vergeten) Franse verlichtingsdenkers : Diderot, d'Holbach, Helvétius, de la Mettrie bijvoorbeeld.

zaterdag 29 januari 2011

Van Macedonië over Tzvetan Todorov weer naar een resem Franse libertijnen

Het is alweer een tijd geleden dat ik hier nog iets gepost heb i.v.m. m'n leesvoer.
Wel eigenlijk ga ik ook niet zo erg veel meer vooruit, omdat ik doorgaans i.p.v. 's morgens pas 's avonds een boek uit m'n tas haal. 's Morgens lees ik tegenwoordig de krant.

Door het omwisselen van beide routines en door het feit dat ik een dagje ouder word, lees ik op de terugweg naar huis hooguit een paar bladzijden. Hoe dat komt ? Vanaf pakweg Mechelen tot zowat Herentals lig ik sinds een maand of twee namelijk te knikkebollen van vermoeidheid. Gruw. Gelukkig heb ik mezelf nog niet betrapt op het lozen van een straal speeksel, maar het verveelt me wel.
Het kan natuurlijk ook deels te wijten zijn aan mijn recente lectuur, maar dat speelt dan mijns inziens toch maar een ondergeschikte rol. Het infernale ritme dat het werk, 's avonds nog erg levendige kinderen en een 's nachts nog bijzonder veeleisende vriendin me opleggen, eist zijn tol.

Ik had dus aangekondigd dat ik "Macedonië, land in de wachtkamer" van Mon Detrez zou lezen. Zeker de eerste helft vond ik een relatief zware dobber. Wat ik me er nog van herinner kwam dat onder meer omdat de auteur in zijn historisch overzicht werkelijk elke beweging, organisatie, splintergroep enz. lijkt te vernoemen. Het boek heeft me wel beter doen beseffen hoe groot de regio Macedonië vroeger wel niet was (komt helemaal niet overeen met het huidige land of de vroegere Joegoslavische republiek) en van welke verschillende landen het in zijn geschiedenis de speelbal was (Bulgarije, Griekenland, het Ottomaanse rijk, Joegoslavië en ook de grote Albanese minderheid binnen Macedonië speelde een rol). Detrez gaat ook dieper in op wat bepalend is voor een identiteit van een land en voorzover mijn geheugen me niet in de steek laat, is het onmogelijk om het over een eenduidige Macedonische identiteit te hebben, precies vanwege de talrijke invloeden en heersers die het onderging.
Door dit boek te lezen besef je wel dat voorstelling van de Macedonische kwestie (en bij uitbreiding de Servisch-Albanese) en bij uitbreiding zowat alles wat we over de Balkan horen in de pers nogal simplistisch was/is.

Daarna las ik een kort essay van de Bulgaars-Franse intellectueel Tzvetan Todorov, "Les abus de la mémoire". Daarin bespreekt hij eerst hoe totalitaire regimes omgaan met het (collectief) geheugen : ze trachten herinneringen te wissen en/of te manipuleren of te herschrijven. De slachtoffers van dergelijke staatsvormen gaan echter ook niet altijd vrijuit in hoe zij (selectief) omgaan met dergelijke gebeurtenissen en/of ze soms misbruiken. Verschillende thema's komen (terloops) aan bod : wat is 'herinneren', (groeps)identiteit, cultuur, dat wetenschappers rekening moeten houden met de nefaste gevolgen die hun werk kan hebben, dat we wnatrouwig moeten staan t.o.v. oproepen die een beroep doen op een (al dan niet glorieus) verleden, dat het makkelijker is wantoestanden uit het verleden te bestuderen en/of aan te klagen dan de misdaden die nu aan de gang zijn.

Daarna heb ik 'Romans libertins du XVIIIe siècle' weer ter hand genomen en belandde ik tot nu toe bij twee onverbeterlijke Frans mysantropen die zich ook eenmalig aan dergelijke literatuur gewaagd hebben : Fougeret de Monbron en François-Antoine Chevrier, twee min of meer vergeten auteurs die zowat iedereen tegen zich in het harnas hebben gejaagd, iets waar ze ook de gevolgen van aan de lijve hebben ondervonden (gevangenis, ballingschap enz.). Vooral Chevriers 'Le Colporteur' was amusante lectuur. Behalve het laatste gedeelte waarin de Nederlandse ambassadeur in Parijs zijn zoon goede raad geeft over hoe een diplomaat zich dient te gedragen staat het bol van pikante en opzienbarende anekdotes waarvan je denkt dat de auteur ze uit zijn duim zoog ; je reinste riooljournalistiek dus, maar blijkbaar wel gestaafd door politieverslagen. En met de nodige dosis humor. Chevrier haalt met veel plezier een heel aantal toen beruchte dames door het slijk en noemt ze met naam en toenaam. De dames in kwestie waren meestal danseressen of actrices van de Opéra of de Comédie française en slaagden erin ettelijke steenrijke sukkels te ruïneren, verschillende minnaars tegelijk te hebben, onbeschaamd met hun rijkdom te etaleren enz. Meer dan eens echter eindigden zij hun leven eveneens compleet berooid. Voor de edellieden die zich haast straffeloos met deze vrouwen konden inlaten is hij wel een stuk minder streng en hun namen vermeldt Chevrier nooit.
'Le Colporteur' bood me in alle geval de kans om op een cultureel verantwoorde manier een werk te lezen dat inhoudelijk vermoedelijk niet eens het niveau haalt van onze pulpbladen. De vrolijke toon en de stijl zorgen wel voor een welkom tegengewicht. En mede door de soms bijtende humor hield ik er bovendien een goed humeur aan over. Tegenwoordig voorwaar geen sinecure.
De volgende die aan de beurt is Claude-Joseph Dorat die met zijn 'Les malheurs de l'inconstance' de keerzijde van de libertijnse levenswijze trachtte te belichten en het lijden waartoe het zou lijden.

donderdag 2 december 2010

Treinlectuur

Ruim halfweg "Romans libertins du XVIIIe siècle" ben ik nu toch toe aan een beetje serieuzere lectuur.
1400 bladzijden (licht) erotische/pornografische werken zonder veel inhoud zijn blijkbaar te veel van het goede voor mij en nopen me een rustpauze in te lassen.

'Thérèse philosophe', dat ik al eerder vermeldde, vormt op dat vlak een uitzondering. Daarin neemt de vermoedelijke auteur (Boyer d'Argens) de moraal en de godsdienstbeleving de religieuze instituten zwaar op de korrel. Daarnaast is de tekst ook gewoon grappig, ondanks of waarschijnlijk mede dankzij het soms schunnige taalgebruik dat niet zo vaak in literaire werken wordt gehanteerd. Om een of andere reden vind ik dat register in het Frans ook veel verfijnder dan in het Nederlands. Het leest een stuk aangenamer, mede door de humor die erdoor wordt binnengesmokkeld. De auteur van ‘Thérèse philosophe’ (weze het Boyer d’Argens of iemand anders) is duidelijk een voorloper van de Sade, maar deze laatste gaat nog veel verder in zijn kritiek op en afbraak van de gevestigde waarden. De eerste is namelijk een groot voorstander van het bewaren van de bestaande orde (hoe dat in het 18de-eeuwse Frankrijk te verzoenen valt met een radicale godsdienstkritiek is mij niet geheel duidelijk), terwijl de Sade die frontaal aanvalt en volledig afbreekt. De Sade beoogt een revolutie, Boyer d'Argens duidelijk niet. Concreet voorbeeld : bij Boyer d'Argens is er nergens sprake van sadisme of het niet respecteren van de medemens.

Een andere auteur wiens werk is met plezier gelezen heb : Godard d'Aucour, waarvan “Thémidore ou Mon histoire et celle de ma maîtresse » een plaats vond in deze verzameling. Guitige, vlotte lectuur. Andere auteurs waarvan ik reeds iets las in dit boek : Crébillon fils, La Morlière, Voisenon, Duclos. Vrije zeden gaan hier zogezegd hand in hand met vrijdenkerij, maar van dit laatste is, buiten “Thérèse philosophe” voorlopig niet zoveel te merken.


Om wat uit dat universum te ontsnappen, heb ik me maar weer op wat non-fictie van eigen bodem geworpen : Macedonië, land in de wachtkamer van Balkan-kenner Raymond Detrez. Vijf jaar geleden bij De Slegte gekocht, al een paar keer op het punt gestaan erin te beginnen, maar uiteindelijk weer weggelegd. Bijkomend voordeel van dit boek : het is voor het eerst sinds maanden geen dikke turf, wat enkele praktische voordelen oplevert. Ik geeft toe dat dit aspect heeft meegespeeld in mijn keuze.

Het boek is wel niet meer heel recent (2002), maar blijft niettemin interessant enerzijds omdat Detrez een historisch overzicht wil bieden en wil verklaren hoe het in (dat stuk van) de Balkan tot zovele conflicten kon komen en anderzijds de oorsprong en evolutie van de Macedonische natie beschrijft. Ik heb het boek ooit gekocht om wat meer te weten te komen over deze regio en omdat ik wist dat de auteur een erkende autoriteit is op dat vlak.

woensdag 29 september 2010

In Europa

Dat boek heb ik eind vorige week uitgelezen.
Het is een indrukwekkend en heel interessant werk.

De auteur, Geert Mak, doorkruiste in 1999 kriskras, maar niet op goed geluk Europa. Het boek bestaat uit 12 delen, die telkens overeenkomen met een maand van het jaar, en bespreekt hoofdzakelijk de woelige 20ste eeuw in Europa. Daarbij komen belangrijke gebeurtenissen en persoonlijkheden uitgebreid aan bod, maar ook onbekenden of compleet vergeten evenementen die Mak echter op een of andere manier op relevante wijze met de Geschiedenis in verband brengt.

Ik miste wel enige aandacht voor het Front Populaire dat in Frankrijk toch succesvol uiterst rechts van de macht hield. En ook de kortstondige Hongaarse radenrepubliek had er voor mijn part in gemogen, maar die vormt maar een voetnoot in de geschiedenis en was vermoedelijk niet belangrijk genoeg.


Mijn huidige lectuur is van een andere aard : 'Romans libertins du XVIIIe siècle'. Een verzameling van (licht) erotische werken tot ronduit pornografie. Het minste wat je daarvan kan zeggen, is dat het boek mijn treinreizen alvast zal opfleuren.
Leuke anecdote voor mezelf is ook dat deze editie verzorgd werd door professor Raymond Trousson, waar ik nog een cursus van gevolgd heb. Hij schreef ook het interessante voorwoord.

vrijdag 13 augustus 2010

In Europa

Sinds een dikke maand ben ik beginnen lezen in deze turf van Geert Mak.
Het boek is op enkele jaren uitgegroeid tot een klassieker en ik moet toegeven dat ik er ook geboeid in lees, ook al gaat het wat moeizaam omdat ik in tegenstelling tot voor kort, m'n boek nu op de terugreis van het werk bovenhaal in plaats van 's morgens. M'n ogen durven dan al wel eens toevallen... maar nooit voor heel lang en er drupt ook geen speeksel uit m'n mondhoeken (hoop ik toch).

Mak reist kriskras door Europa en schetst aan de hand van een aantal gebeurtenissen, of vaak m.b.v. vergeten figuren of plekken de woelige XX-eeuwse geschiedenis van dit continent. Hij poogt ook de lezer te doen begrijpen in wat voor wereld men toen leefde en welk wereldbeeld toenmalige Europeanen hadden.
De televisiereeks volgde ik al geïnteresseerd en het boek lag al enkele jaren in de boekenkast, dus voor op reis (waarover later meer) dacht ik dat het een aangename gezel zou zijn.

Voorlopig zijn de aanloop tot en de Eerste Wereldoorlog, de Russische revolutie, het heel woelige Duitsland in het interbellum en fascistisch Italië gepasseerd.
Heel boeiend, al is wie zich echt interesseert voor een bepaald onderwerp nog altijd beter af met een gespecialiseerd boek erover.

donderdag 24 juni 2010

De leraar / Een schitterend gebrek

De leraar heb ik al haast twee weken geleden uitgelezen.
Onder een laagje vernis (beschaving) kan het een en ander schuilgaan, dat lijkt een mogelijk uitgangspunt van dit boek.
De toon is van in het begin vrij hard en dat verbetert er niet op, integendeel. Geleidelijk evolueert het naar een soort horrorverhaal.
De auteur geeft af en toe al wat clous weg en de herhaalde verwijzingen naar het eten van (rauw ?) vlees vielen me effectief op, maar dat het tot zo'n climax die leiden, had ik niet gedacht. Ikzelf ben ook niet bijster gek op dergelijke toestanden, dus voor mij was het wel enigszins een domper.
Ongetwijfeld gaat er een hele semiotiek schuil achter het feit dat een (kinderloze) leraar in het echte leven een jongen gegijzeld houdt en van hem een of ander ideaal wil maken, hem wil opvoeden om zijn 'creatie' dan te vernietigen.

Daarnaast doorspekt Koubaa zijn boek met allerlei mijmeringen over taal.
Enfin, voor mensen met een toch wel sterke maag en die thuis zijn in filosofische beschouwingen (ik niet echt) of met een grote culturele bagage.
De droge humor maakt het boek wel een stuk verteerbaarder.


Daarna las ik, op aanraden van M., 'Een schitterend gebrek' van Arthur Japin.
Omdat ik jaren geleden de memoires van Giacomo Casanova gelezen heb, dacht ze dat dit boek me ook wel zou aanspreken.

De ik-figuur is hier niet Casanova zelf, maar een van de vrouwen die zijn pad kruisten. Beide raken als pubers verliefd op elkaar, zonder dat ze overgaan tot 'de daad' en ze beloven op elkaar te wachten tot een paar maand later.
Zij krijgt echter de pokken, maar overleeft het, weliswaar met een verminkt gelaat. Dat zet haar ertoe aan zich voor Giacomo te verstoppen en later van huis weg te vluchten.

Ze zwerft een tijdje door Italië en later Europa, waarna ze min of meer geen andere keuze heeft dan hoer te worden. In Amsterdam ontmoet ze na ettelijke jaren dan plots weer haar eerste liefde, die zelf niet beseft met wie hij te maken heeft.

De titel wijst, denk ik, zowel op haar misvormdheid maar misschien meer nog op haar onverwerkt verleden met Casanova. Het boek leest vlot en heeft wat mij betreft als verdienste dat een 'slachtoffer' van deze vrouwenjager (die er, ook in dit boek, prat op ging nooit een vrouw onrecht te hebben aangedaan) haar verhaal kan doen.

vrijdag 28 mei 2010

Bart Koubaa, "De leraar"


Daar ben ik sinds twee dagen in aan het lezen.
En het gaat goed vooruit.

Het zijn een soort van mémoires van een uitgebluste leraar, geschreven in een nogal afstandelijke stijl. De zinnen en hoofdstukken zijn vaak (heel) kort. De man in kwestie heeft geen hoge dunk van de leerlingen waar hij les aan moet geven en worstelt duidelijk met een of ander probleem.
Welk dat zal later duidelijk worden.

Het boek werd goed onthaal door de literatuurcritici en M. heeft het een tijdje geleden gekocht.
Aanvankelijk wilde ik beginnen in "In Europa" van Geert Mak, maar dat boek is zo dik en groot dat er in mijn tas geen plaats meer is voor m'n 2 brooddozen... Hetzelfde geldt voor "Geschiedenis van het Amerikaanse volk" van Howard Zinn, nog zo'n turf. Ik vraag me dan ook af wanneer ik die twee werken ga kunnen lezen, want thuis zou dat een eeuwigheid duren.

zondag 25 april 2010

L'excessive bureaucratie

Il va sans dire que mes lecteurs les plus fidèles se souviennent encore que j'ai lu en son temps les 'Oeuvres anthumes' d'Alphonse Allais et la vraie vague de petits morceaux de lui qui ont déférlé sur ce blog pendant quelques semaines.
De cet excellent auteur, hélas trop méconnu par la postérité, logiquement un deuxième tôme a été publié en même temps que le premier : 'Oeuvres posthumes'. Il s'agit simplement de textes qui avaient bel et bien été publiés dans les journaux pour lesquels il écrivait, mais qui, de son vivant n'avaient pas été rassemblés en une collection publiée.

Ci-dessous vous trouverez une délicieuse petite histoire sortie de sa plume. Les (anciens) fonctionnaires parmi vous reconnaîtront certainement quelques uns des traits esquissés.
Bonne lecture et j'espère que ce texte égayera pendant quelques moments la vie de ceux et celles qui ont besoin d'un peu de divertissement pour oublier leur peines en ce bas monde. Et Dieu sait s'ils sont nombreux.


L'EXCESSIVE BUREAUCRATIE

Paru dans Le Journal, 17 septembre 1896


Il y a mille façons de s’amuser ici-bas.
Certains se divertissent tout simplement à même la nature, oserais-je dire.

A d’autres, il faut des plaisirs tellement raffinés que tout le matériel de la famille Lebaudy ne suffirait pas à les satisfaire.
J’en connais qu’un simple et fort idiot calembour comble d’une joie pure, tel ce monsieur qui me disait, ce matin : « La France finira bien par se lasser des trahisons continuelles de la reine de Madagascar et son entourage. Tant la cruche fahavalo qu’à la fin elle se casse. »
C’est surtout quand on est retiré des affaires que le choix d’un agréable passe-temps revêt une sérieuse importance.
A telle enseigne que le trépas par ennui d’une foule d’ex-commerçants est un fait banalement courant.
Paul Arène a raconté quelque part, et si délicieusement ! l’histoire de cet ancien limonadier devenu riche et qui dépérissait ferme en sa maison de campagne.
Sa compagne eut alors l’ingénieuse idée de transformer peu à peu, par l’addition successive d’une table de marbre par-ci, d’un comptoir par-là, leur vaste salon en coquet estaminet, et notre homme reprenait tout doucement le goût de la vie.
Une veste d’alpaga, une serviette sur le bras et un tablier blanc, dont on affubla leur valet de chambre, achevèrent de guérir le sympathique cafetier.

Le cas que je vais avoir l’honneur de présenter aujourd’hui à ma nombreuse et choisie clientèle, bien que comportant des détails originaux, est d’ordre analogue.
Quelques mois avant le jour de sa retraite, M. Durond, employé au ministère des Finances, hérita, sans qu’il s’y attendît le moins du monde, de trente mille francs de rentes.
Avec quelle célébrité il plaqua son administration, je vous laisse penser.
Oui, mais pas plutôt qu’il se sentit oisif et libre de son temps, le voilà qui fut en proie à une tenaillante mélancolie.
Célibataire, dépourvu d’idéal, sans autres relations que ses camarades de bureau de deux ou trois pâles cousins, M. Durond ne savait que faire de son corps.
Et puis, ce qui lui manquait surtout, c’était le public, le bon public qu’on embête, qu’on fait poireauter et auquel on peut dire grossièrement : Où est votre bordereau ?
A la fin, n’y pouvant tenir, M. Durond loua une boutique qu’il fit aménager en manière de bureau, avec des grilles et des guichets.

M. Durond avait son idée !
Au-dessus des guichets, on posa des plaques portant chacune une des indications : Propriétaires – Locataires – Ecclésiastéiques – Laïcs – Civils – Militaires – Caisse.
Sept commis, anciens copains du ministère, aujourd’hui en retraite, furent engagés.
Sur la devanture, on écrivit en grosses lettres : Change.
Un écriteau accroché derrière les vitres annonça aux passants stupéfaits :

"Ici, on rembourse au pair
toutes les pièces démonétisées"


Tout de suite, afflue le public.
Les gens entrent dans le bureau et, après un rapide coup d’œil sur les guichets, se sentent perplexes.
Les simples citoyens finissent généralement par se diriger vers le guichet des Civils.
L’employé, plongé dans la lecture du Petit Journal, se décide, au bout de quelques minutes, à lever la tête :

- Qu’est-ce que vous voulez ?
- Vous changez les pièces italiennes ?
- Parfaitement.
- J’ai une pièce de vingt sous de Victor-Emmanuel…
- Donnez !

Le monsieur avance timidement son franc, l’employé lui passe un bout de papier :
- Remplissez ce bordereau.

Sur le morceau de papier, sont écrits les mots d’usage : Nom, prénoms, etc., etc. ; et puis : Valeur, nationalité et millésime de la pièce.
Un peu étonné, comme de juste, mais docile, le monsieur remplit les blancs.

L’employé reprend :
- Habitez-vous un immeuble à vous ?
- Non, Monsieur.
- Eh bien ! portez ce bordereau au guichet des Locataires.

De plus en plus étonné, mais toujours docile, le monsieur obéit.

Aux Locataires, nouvelles formalités, nouveau bordereau, puis :
- Portez ce bordereau au guichet des Laïcs.

Aux Laïcs, même bureaucratie ; après quoi, on remet au monsieur un bon de un franc à toucher à la caisse.

A la Caisse, le caissier met ses lunettes, compulse de nombreux papiers, exige trois ou quatre signatures sur des feuilles différentes, puis gravement, avec mille précautions, remet au monsieur… une pièce de vingt sous du pape !

Le simple citoyen commence à la trouver mauvaise et ne cache plus son mécontentement.
- Vous vous f… de moi, décidément !

M. Durond intervient alors :
- Qu’y a-t-il, Monsieur ?
- Il y a qu’on me f… une pièce du pape contre une pièce de Victor-Emmanuel. Ce n’était pas la peine de me faire perdre une demi-heure, nom d’un chien !
- Rien n’est plus facile à réparer, Monsieur, portez cette pièce à ce guichet, on vous donnera un bordereau à remplir…

Le monsieur n’en entend pas davantage et, s’il court encore, il doit être loin, mais pendant ce temps-là M. Durond et ses sept lascars se tiennent les côtes.
Quand il s’agit d’un digne prêtre, c’est la même opération.
Et ainsi d’un brave militaire.

zondag 21 maart 2010

Ik raak nogal achterop

... met het hier bijhouden van de boeken die ik onlangs las.
Ik weet immers dat jullie allen steeds met ongeduld zitten te wachten op nieuws hieromtrent !

Wel, na de romanwerken van Diderot en de laatste, toch wat teleurstellende pennevrucht van Nick Cave koos ik een boek van Lucas Catherine : 'Van morendoders tot botsende beschavingen'.


De eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat ik al grotendeels vergeten ben wat er allemaal in staat, ook al heb ik het boek heel wat aangestreept. Vandaar gewoon een algemene indruk.
Dit heel interessante boekje, waaruit veel te leren valt, houdt ons een spiegel voor inzake onze houding t.o.v. de moslimwereld. Af en toe nogal confronterend, maar tegelijk kon ik me niet van de indruk ontdoen dat het wel een bijzonder eenzijdig beeld schetst, en zowat ons (i.e. West-Europa en later ook de VS) proces maakt in deze toch complexe materie, waardoor het werk qua toon bijna een pamflet wordt. Maar wel een heel leerrijk.

Daarna kwam een boek van een andere deskundige m.b.t. het Nabije- en Midden-Oosten en Zuid-Azië aan de beurt : 'De heilige wereldoorlog' van VRT-journalist en coryfee Jef Lambrecht.


In soms heel korte hoofdstukken geeft de auteur in dit lijvige boek duiding bij elk noemenswaardig nieuwsfeit dat zich de afgelopen 2 à 3 jaar voordeed in een enorm uitgestrekt gebied waarin het 'moslimterrorisme' actief is, gaande van de Magrheb, de Machrek, over Israël, Libanon, Irak en Iran tot Afghanistan, Pakistan en Indië.

Mede doordat deze conflicten nog steeds aan de gang zijn, kan het boek een soort van handleiding en who's who vormen om ze beter te begrijpen. Ik kan het alvast aanbevelen voor iedereen die ietwat in de materie/deze regio's geïnteresseerd is.
Mijn enige bedenking geldt de titel, die ik nogal sensationalistisch vind (gericht op de verkoop) ?
Ik heb er evenmin een verklaring in gevonden voor het onvoorspelbare gedrag van de Iraanse president Ahmadinejad.
Hoop geeft het (helaas) evenmin, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat Barack Obama's regeerperiode, die toch een serieuze heroriëntatie inhield t.o.v. het beleid van diens voorganger George W. Bush, waarvoor Lambrecht nauwelijks een goed woord over heeft, nauwelijks aan bod kon komen.
Opvallend zijn ook de sneren naar zijn vroegere werkgever, de VRT en het journalistieke 'métier' in het bijzonder. Dat glijdt steeds verder af naar iets waar Lambrecht niets meer mee te maken wil hebben.

Tot slot heb ik deze turf nog eens ter hand genomen en eindelijk beëindigd door het hoofdstuk gewijd aan de correspondentie van Erasmus te lezen. Hiervan zijn er ruim 3100 bewaard gebleven en enkele tientallen kwamen in deze bloemlezing terecht, waardoor je een beter beeld krijgt op de mens Erasmus, met zijn kwaliteiten, maar ook zijn zorgen en gebreken.

woensdag 27 januari 2010

Diderot (bis) en Nick Cave

De vorige week las ik het tweede boekdeel uit van de 5-delige Bouquin-reeks gewijd aan deze Franse denker, met zijn romanwerken.

Het sloot af met zijn mogelijk twee bekendste werken : 'Le neveu de Rameau' en 'Jacques le fataliste'.

Vooral met 'Jacques le fataliste' schreef Diderot een echt meesterwerk. Ik las het nu zeker voor de 3de maal en telkens blijft het werk me verbazen en verrukken. Hij verweeft op grootse wijze verschillende registers, gaande van filosofie tot het burleske (Rabelais is niet veraf), puur juridisch jargon tot libertijnse scènes, zet zijn lezer soms op het verkeerde spoor, spreekt hem ook regelmatig rechtstreeks aan en vermaant hem zelfs, zoals het onderstaande citaat, waarmee het boek ook begint, aantoont :
"Comment s'étaient-ils rencontrés ? - Par hasard, comme tout le monde. - Comment s'appelaient-ils ? - Que vous importe ? - D'où venaient-ils ? - Du lieu le plus prochain. - Où allaient-ils ? - Est-ce qu'on l'on sait où l'on va ? - Que disaient-ils ? - Le maitre ne disait rien ; et Jacques disait que son capitaine disait que tout ce qui nous arrive de bien et de mal ici-bas était écrit là-haut."

Het verhaal is vrij eenvoudig en eigenlijk gewoon een aaneenschakeling van allerlei tafereeltjes en ontmoetingen die telkens de aanleiding vormen voor een nieuw verhaal of voor beschouwelijke overpeinzingen. Jacques en zijn meester vormen een onafscheidelijk duo en zijn onderweg naar ergens. Tijdens hun reis ontmoeten ze allerlei mensen en beleven ze enkele avonturen of vertelt Jacques over zijn leven. De gevoerde gesprekken worden ook vaak gekruid met typische uitdrukkingen of stopwoorden die per bladzijde meermaals terugkeren of uitspraken die het geheel nog meer op een sappig gesprek doen lijken.

Vooral Jacques' liefdesleven en ontmaagding interesseert zijn meester mateloos. Echter, het fijne daarvan komt de lezer pas op het einde te weten, of helemaal niet, dat laat ik hier in het midden. Ik kan u aanraden het boek zelf te lezen om dat te weten te komen. Zijn relaas wordt immers voortdurend onderbroken door zijn meester, door een gebeurtenis of door de auteur zelf, waardoor dit maar blijft aanslepen. Een universiteitsprofessor van me heeft ooit tijdens een les toegegeven dat hij precies daardoor het boek nooit heeft kunnen uitlezen. Dit procédé kan dan sommigen wel irriteren, het amuseert tegelijkertijd, door de weergaloze wijze waarop Diderot het toepast.

De praatzieke Jacques gelooft, zoals de titel al aangeeft, dat alles al vastligt en gebeurt zoals de voorzienigheid of God het in onze plaats bepaalde. Zijn meester is daar minder van overtuigd en vindt dat de vrije wil, toeval enz. een grote rol spelen. Wel blijft hij een overtuigd voorstander van de sociale orde in het Ancien Régime en behoudt hij zich het recht voor zijn reisgenoot maar tegelijk en vooral bediende een pak rammel te geven.

Daarnaast is er bovendien de heel mooie schrijfstijl. Het 18de eeuws Franse proza vind ik persoonlijk stylistisch van het mooiste wat ik al gelezen heb (zie ook Sade of Choderlos de Laclos). Het zal nu ongetwijfeld wat archaïsch overkomen qua woordenschat en het veelvuldig gebruik van de verschillende vormen van de subjonctif, maar het blijft wel gewoon mooi.

'Jacques et son maître' vormen een onafscheidelijk en haast spreekwoordelijk geworden duo zoals de bühne of de literatuur er wel meer hebben opgeleverd ; denk maar aan Don Quichote en Sancho Panza, Bouvard en Pecuchet, Gaston en Leo, Laurel en Hardy enz.

Ik ben ervan overtuigd dat dit werk uitstekend geschikt is om iemand het plezier te laten ervaren dat lezen je kan verschaffen, ook uitgebluste scholieren bijvoorbeeld.

'Le neveu de Rameau' is dan weer een dialoog tussen een ik-figuur en de neef van de befaamde componist. Le neveu is een parasiet die met zijn artistieke talenten weinig of niets aanvangt. De man heeft enkele originele ideeën en bewondert grote toenmalige gewetenloze schurken of groten, zoals bijvoorbeeld de financier Etienne-Michel Bouret of broer en zus de Tencin, voor middelmatigheid heeft vooral minachting, ook al behoort hij er door zijn eigen levenswandel zelf toe, wat hijzelf maar al te goed beseft en waardoor hij ook zichzelf niet hoog schat. Wat dat laatste betreft, herken ik wel wat van hem in me.
Le neveu rijgt in dit gesprek nogal bizarre standpunten op allerlei vlak aan markante analyses, koppelt groteske mimiek aan opwellingen van kunstzinnige uitingen, is een vat vol tegenstellingen.
De dialoog valt grosso modo uiteen in twee delen : een waarin de neef zijn soms extravagante meningen ventileert en een ander dat meer gewijd is aan theoretische bespiegelingen over muziek en kunst in het algemeen.
In het echt zou hij uiteindelijk geïnterneerd worden of zijn laatste jaren in een klooster hebben doorgebracht, volgens sommigen omdat hij waanzinnig was geworden.

Voor geïnteresseerden : geheel toevallig worden tot 13 februari in het Brusselse Théâtre du Parc 'Le neveu de Rameau' en de 'Supplément au voyage de Bougainville' gespeeld. Mij spreekt dat wel aan.

Het boek dat ik vervolgens las, contrasteert wel heel erg met de optimistische, lichtvoetige toon met de werken van Diderot. Ook de humor is van een totaal andere orde. Het gaat om het mistroostige, rauwe 'De dood van Bunny Munro' van Nick Cave, wat ik met Oudejaar van M. kreeg.

Na de zelfmoord van zijn vrouw zwalpt Bunny Munro, een seksverslaafde handelsreiziger die schoonheidsproducten aan de vrouw brengt, met zijn zoon in zijn kielzog richting waanzin en ondergang.
Het einde ervan viel me wat tegen eigenlijk en lijkt wat mij betreft niet te passen bij de rest van het verhaal. Nu is het niet gitzwart, maar wordt het bijna melig.
Gelukkig is er nog de humor zoals reeds aangegeven. Wat dat betreft spelen Avril Lavigne (een 'zangeres' als ik het goed heb) en haar kutje een prominente rol. Geen idee of de dame in kwestie het waardeert, maar het werkt wel.

zondag 22 november 2009

Franse touche-à-tout

Een update over mijn leesvoer is ook al (te) lang geleden.

Ik was bij 'Zwarte weduwen' van Sabine Adler gebleven.
Niet bepaald opbeurend, ook al beeldt de schrijfster zich in dat Raisa alsnog uit haar omgeving en uit Tsjetsjenië kon ontsnappen om elders met behulp van een nieuwe identiteit een nieuw bestaan op te bouwen. Hopelijk zat de vork ook echt zo aan de steel, maar dat komt de lezer niet te weten. De officiële versie is dat Raisa overleed, zonder te zeggen waaraan.
Ook dood zijn haar beide zusters die deelnamen aan de gijzelingsactie in het Moskouse theater. Samen met zo goed als andere gijzelnemers en een aanzienlijk aantal gegijzelden.

Adler probeert nog het meest in de huid van Hejda te kruipen, de tweelingzus die eigenlijk het minst van de twee reden had om zwarte weduwe te worden, iets wat ze zogezegd gaandeweg ook begint te beseffen. Daar waar haar zus haar echtgenoot, en tegelijk papa van het kind in haar buik, op een wrede manier verloor, volgde zij haar omdat ze altijd al samen waren en een haast onverbrekelijke band hebben. Te laat snapt ze dat ze zich in iets gestort heeft, waaruit geen weg terug is en dat waarschijnlijk fataal zal aflopen.

En hoe gaat het nu met Tsjetsjenië ? Veel meer dan dat er nu een regelrechte schurk (Ramzam Kadyrov) aan het hoofd staat en dat er nog geregeld mensen uit de weg worden geruimd die gerechtigheid willen laten geschieden of ten minste, de waarheid trachten te achterhalen van wat er gebeurde met anderen die spoorloos verdwenen of gedood werden, weet ik ook niet.


Momenteel is het de beurt aan een geniaal Frans verlichtingsdenker : Diderot, die van de Encyclopédie (samen met kompaan D'Alembert en vele anderen).
Dit boek vormt het tweede deel van een vijfdelige cyclus en bevat zijn 'romanwerken'.
Vanaf het eerste boek dat ik van hem las, ben ik een grote fan : "Jacques le fataliste" is dermate grappig, modern, bruisend dat ik het onweerstaanbaar vind en al meermaals gelezen heb. Daarnaast en tegelijk kaart het ook ernstige onderwerpen aan. En het leest bovendien als een trein.
Een andere gelijkenis met Sade en heel wat schrijvers van die periode is de fraaie schrijfstijl. Heel anders dan hoe men nu schrijft, maar ik vind het een extra verleiding. In die mate dat ik dergelijke werken het liefst in de oorspronkelijke taal lees omdat ik vrees dat een vertaling naar het Nederlands er onrecht aan zou doen.

Na het frivole en libertijnse "Les bijoux indiscrets", in het Nederlands "De loslippige sieraden" ('loslippig' heeft hier geen betrekking op de mond van de vrouw, maar op een ander deel van haar anatomie), ben ik momenteel bijna aan het einde van "La religieuse" gekomen (De non), wat een stuk minder opbeurend is.
Het hoofdpersonage is dan wel fictief, de omstandigheden die erin verteld worden vermoedelijk heel wat minder en het verhaal is deels gebaseerd op echt gebeurde feiten. Een jonge vrouw wordt tegen haar wil door haar ouders tot een kloosterleven veroordeeld en ondergaat jaren aan een stuk pesterijen, vernederingen en mishandelingen in 3 verschillende kloosters. Samen met het feit dat ze voor een hedendaagse lezer wel uiterst naïef lijkt, vormt deze aaneenschakeling van ellende een parallel met de Justine van D.A.F. de Sade, nog een wicht dat voor het ongeluk geboren lijkt.
Ondanks de onnozele 'ongereptheid' van Suzanne Simonin beklijven toch heel wat passages door de wreedheid van haar kloostergenoten. Ik lees dit werk van Diderot niet als een pamflet tegen godsdienst (hij scheen zelf naar het atheïsme te zijn geëvolueerd), maar wel als een bijzonder scherpe aanklacht tegen het kloosterleven, de Kerk, het beteugelen van de natuurlijke impulsen enz.
Ook het einde van de lesbische overste van Suzanne is toch wel dramatisch, verteerd door schuldbesef omdat ze lesbisch is, wat in die wereld als duivels leek te worden beschouwd.
Hysterische aanvallen à volonté doorheen deze hele roman.
Indrukwekkende lectuur, dat zeker.
Een leuke anecdote i.v.m. La religieuse, is dat het hele werk eigenlijk als opgezet spel moet worden beschouwd. Diderot en zijn maten wilden een vriend die zich al heel wat jaren in Normandië had teruggetrokken, weer naar Parijs lokken en hun lokaas was zogezegd een non die probeerde het kloosterleven te ontvluchten, compleet met brieven van de fictieve non in kwestie naar de vriend, de marquis de Croismare. Deze laatste trapte in de 'val' en geloofde echt wat hem geschreven werd, in die mate dat de 'samenzweerders' zich verplicht zagen hun heldin te laten sterven, omdat Croismare anders tot de actie ging overgaan. Later kwam alles uit, zonder dat dit tot een breuk leidde tussen de protagonisten.

Andere werken die onder meer nog aan bod komen : "Supplément au voyage de Bougainville", "Le neveu de Rameau" en "Jacques le fataliste".

dinsdag 13 oktober 2009

Klassieker uit de Russische literatuur

Oblomov

Een mooie ode aan de ledigheid, ook al sterft de antiheld uiteindelijk aan zijn ‘ziekte’ van het nietsdoen.

Samen met Oblomov gaat stilletjesaan de oude Russische landadel ten onder. Het compleet onbeholpen hoofdpersonage droomt nog vaak van zijn onbezorgde kindertijd, waarin hij geen bekommernissen had en zou graag dat Arcadië terugvinden, maar dat blijkt onmogelijk. De tijden zijn veranderd en dat komt tot uiting in de ondernemende Stolz, Oblomovs onvoorwaardelijke vriend, maar tegelijk diens tegenpool in zowat alles en ook ergens wel zijn geweten (samen met Olga).
Olga verbreekt uiteindelijk haar verloving met Oblomov omdat ze beseft dat ze het niet kan halen tegen zijn aard.

Dit boek heeft wat mij betreft een terechte plaats in de literatuur. Ook deze tweede lezing bleef een waar genot. Het is nog geen magistrale psychologische roman zoals Gontsjarovs landgenoot Dostojevski er schreef, maar beslist een voorbode. Ook hier worden treffende analyses en portretten gemaakt en tegelijk is er plaats voor een luchtiger noot. De figuur van Oblomov leeft voort in ons cultureel patrimonium en de term ‘oblomovisme’ heeft ook ingang in onze taal gevonden.

En zoals reeds eerder meegegeven, herkende ik me er in zekere mate in (maar dat zal wel voor haast iedereen in mindere of meerdere mate het geval zijn). Waar ik werk, zijn er ook heel wat personen die eerst naar mijn graad en studies kijken en daarop afgaan om te bepalen wat ik zou moeten willen en kunnen. Dat terwijl ik niet in het minst ambitieus ben en liever gewoon in de schaduw wil blijven werken, wars van alle profileringsdrang. Voor Oblomov zijn dergelijke beslommeringen ook allemaal ballast die het mensworden in de weg staat (een (romantisch ?) ideaal van hem). Mij kan al die drukdoenerij op mijn en andermans werk ook grotendeels gestolen worden. Daarnaast plooi ik me dus ook meer en meer terug op mijn gezin en zijn er meer en meer weekends waarin ik mijn huis nog nauwelijks uitkom en naast wat huishoudelijke klusjes eigenlijk niets doe. En ik vind dat niet erg, integendeel.

Zeker een aanrader, ook al is er helemaal geen intrige, geen enkele actie in het hele boek.


Nu ben ik begonnen in een boek over een rauwe realiteit : Tsjetsjenië. Het boek gaat meer bepaald over een aantal vrouwen die worden ingelijfd bij de opstandelingen en in opdracht van hen mee een grootschalige gijzeling op touw zetten in een Moskous theater. Ik herinner me daar nog wel het een en ander van, omdat M. en ik toen op citytrip naar Rouen waren en op het tv-nieuws werden er toen dagelijks beelden over getoond. Het vrouwencommando heette de 'Zwarte Weduwen', meteen ook de titel van het boek, van de hand van Sabine Adler. Het lijkt me een mengeling van feiten en fictie.

Aan de hand van de getuigenis van een jonge vrouw wordt het leven van haar familie geschetst en meer bepaald van haar broers en 2 zussen. Deze zussen sluiten zich aan bij het verzet, zoals ook al 4 broers hadden gedaan.
Het boek baseert zich op echt gebeurde feiten en getuigenissen, maar mengt feiten en fictie, want hoe kan de auteur anders de gemoedsgesteldheid en de laatste daden en gedachten weergeven van iemand die (gewelddadig) omkomt ?

De Tsjetsjeense zeden en gewoonten doen erg vreemd aan voor een Westerling en vrouwen lijken er van buitenuit een bijzonder ondergeschikte positie te bekleden. Ook de noties van (bloed)wraak zijn daar nog bittere realiteit, en maken het lot van dat volk extra tragisch nu er zich een niets ontziende oorlog afspeelt. Beide zijden gedragen zich als op uiterste wrede en bloedige wijze, er zijn geen 'goeden en slechten', en ze gijzelen alletwee de burgerbevolking.

Een heel hard en gitzwart boek dat weinig hoop biedt voor de toekomst.
Het is wel al 4 jaar geleden verschenen en intussen is er een en ander veranderd in Tsjetsjenië, maar van echt veel beterschap of vooruitgang valt er weinig te bespeuren. Hoe kun je in dergelijke omstandigheden als maatschappij in het reine komen met al wat er jarenlang gebeurd is ?
Enige serieuze Westerse reactie tegenover het Tsjetsjeense drama kan ik me eigenlijk ook niet herinneren.

maandag 21 september 2009

Oblomov

Ha ! Het is al ettelijke maanden geleden dat ik hier nog over boeken gerept heb.
Wel, dat komt enerzijds omdat ik de hele tijd zoet was met een vuistdik boek gecompileerde werken van Erasmus en anderzijds omdat ik een tweede poging ondernam om een boek te lezen waar ik me al eens vruchteloos door had trachten te worstelen.

Erasmus was voor mij een vrij aangename verrassing, want buiten zijn ‘Eloge de la folie’ had ik nog nooit iets van hem gelezen. Zijn pedagogische werken blijven actueel, zijn pacifisme doet deugd om te lezen, zijn humor is verfrissend, zijn uitzonderlijke intelligentie staat buiten kijf, zijn geloof kan heden ten dage naïef of wereldvreemd overkomen, maar stoort niet echt. Erasmus lijkt me echt wel een modern denker die je begint te beseffen wat voor grote invloed hij uitgeoefend heeft op allerlei vlak.
Het was bij momenten echt wel verfrissende lectuur, maar een paar maanden aan een stuk niets anders als Erasmus zou ik nu toch ook niet iedereen aanraden.
Er blijft wel nog een hoofdstuk van 250 bladzijden over dat ik moet lezen met een beperkte selectie van zijn correspondentie. Dat is voor een andere keer.

Na deze verzamelde werken van Erasmus, probeerde ik nogmaals "Wegen van de filosofie" te lezen van Paul Ricoeur, nadat ik een eerste poging enkele maanden geleden afbrak wegens te hermetisch voor mij. Ditmaal lukte het me wel het boek bestaande uit verschillende essays uit te lezen. Structuralisme in de taal en antropologie, de Saussure, Guillaume, Lévi-Strauss, Freud, religie, Oud en Nieuw Testament, Hegel, fenomenologie, allemaal onderwerpen die aan bod komen. Ik denk dat ik het bij deze lezing allemaal een stuk beter vatte, ook omdat ik m'n tijd nam en rustig las, maar om er dan zelf nog veel zinnige gedachten aan toe te voegen of zelf bedenkingen te hebben bij hetgeen ik las, neen, dat was te veel gevraagd. Een aantal zaken herkende ik wel, dankzij m'n opleiding (de tegenstelling langue - parole (- discours) bijvoorbeeld), wat toch voor enige aanknopingspunten zorgde. Nieuw voor me was bijvoorbeeld hoe Freud religie analyseerde en 'ontmaskerde', ook al was zijn visie ook maar een mogelijke interpretatie.


Twee weken geleden ben ik dan begonnen in "Oblomov", een klassieker van de Rus Ivan Gontsjarov. Eerlijk gezegd was dit een ware verademing na de toch wel droge en zware kost die Paul Ricoeur voorschotelde.
Dit werk heb ik halfweg de jaren ’90 al eens gelezen, maar het liet een zo’n positieve indruk op me na, dat ik me al enkele jaren had voorgenomen het opnieuw te lezen.
Ilja Iljitsj Oblomov is een aristocraat die zijn dagen slijt met haast letterlijk nietsdoen, rusten, dromen, slapen. Ergens herken ik mezelf er ook een beetje in ; het voor zich uit schuiven van problemen bijvoorbeeld of, zeker de laatste maanden, gewoon het huis nog moeilijk uitkomen en iets doen.
De eerste tientallen bladzijden vind ik bij momenten ware slapstick. Verschillende personages worden voorgesteld, misschien enigszins karikaturaal en geconfronteerd met de protagonist.
Momenteel lijkt de jonge Olga Oblomov uit zijn lethargie te kunnen halen, maar net als ze zijn leven een nieuwe wending lijken te gaan geven, haalt zijn verleden hem in de vorm van oude kennissen, in.
Tekenend voor het hoofdpersonage is dat een van de weinige keren dat Oblomov echt tot actie overgaat is om een brief te schrijven waarin hij afscheid neemt van Olga. Voor een poosje komt het daarna weer goed tussen beide, maar helaas loopt alles toch faliekant af (daar ben ik nog niet geraakt).
Ik herinner me dat ik toch nogal getroffen was toen ik het boek een eerste keer las en het lijkt erop dat dit nu ook weer het geval is. Ik leef toch wel mee met Oblomov en blijf tegen beter weten hopen dat het goed komt tussen hem en Olga.

donderdag 10 september 2009

Oorlog en vrede

De voorbije weken heb ik twee verfilmingen van dit monumentale werk van Leo Tolstoj bekeken (dat ik zelf nog niet gelezen heb en dus via deze films ontdekte).
Een van de Amerikaanse beroemde pionier-regisseur King Vidor en de andere van de Sovjet-Rus Sergej Bondarchuk.

King Vidor is een van de grote namen van de Amerikaanse cinema. Volgens het aan hem gewijde Wikipedia-artikel was hij 7 decennia lang in de filmindustrie actief. Zelf kende ik zijn faam als regisseur die met grote menigten figuranten werkte. Enkele van zijn films werden klassiekers (ook uit de stomme periode).

Over Bondarchuk weet ik veel minder, daarvoor moet ik de extra's bij mijn editie eens raadplegen.

Beide films zijn groots opgezette projecten, maar Bondarchuks versie is dat in een overtreffende trap. Het oorspronkelijke werk duurde 8 uur (480 minuten). Helaas lijkt anderhalf uur daarvan onherroepelijk verloren (wegens slordigheid, minderwaardige kwaliteit van een deel van de gebruikte pellicule enz.). Althans dat zou moeten blijken uit een van de interviews die er als extra zijn bijgevoegd en ook uit het feit dat mijn editie (de Ruscico-versie) claimt de meest volledige te zijn die verkrijgbaar is. Dit valt soms ook op, als er bijzonder bruuske overgangen zijn, daar waar doorgaans geleidelijk gebeurt (zo zit Pierre Bezoechov op een bepaald moment met een Frans officier bij hem in Moskou aan tafel te dineren en het volgende moment staat Moskou reeds in brand). Dit stoort soms wel, evenals de vaak trage ontwikkeling van het verhaal of de innerlijke bespiegelingen van de personages. Mede daarom is het uitkijken van deze film een echte uithoudingstest, maar wel een die loont.

Er zouden ruim 100.000 mensen hebben meegespeeld als figurant in de film en naar verluidt werden er 35.000 kostuums voor gemaakt. Het maken van deze film nam ettelijke jaren in beslag en het zou nog steeds (rekening houdende met de inflatie) de allerduurste film ooit gemaakt zijn. De regisseur kon rekenen op de volledige medewerking van het staatsapparaat en ook van het Rode Leger (vandaar het immense aantal figuranten). Er mocht worden gefilmd in paleizen en op sommige haast letterlijk oogverblindende locaties.
De slag bij Borodino vormt een bijzonder indrukwekkend hoogtepunt van de film : duizenden en duizenden figuranten, fraaie choreografie en camerastandpunten, het uitwerken alleen al ervan moet een huzarenstuk geweest zijn, om van het filmen op zich van het geheel niet te spreken.
De Russische verfilming vat vermoedelijk ook veel meer de zogenaamde typische Russische (volks)aard weerspiegelen dan King Vidors versie. Zoals wel meer Russische films maakt de regisseur ook gebruik van een soort onirische scènes, als de personages in gedachten verzonken zijn, wat voor een wat onaards effect zorgt en waardoor het tempo heel erg gedrukt wordt. Dankzij de lengte van de film, en omdat hij door Russen werd gemaakt, besteedde men veel aandacht aan de zieleroerselen van de hoofdpersonages (er heerst ook innerlijk oorlog en vrede).

Deze film werd internationaal bekroond en wordt door kenners beschouwd als een absoluut cinematografisch hoogtepunt. Zelf weet ik er veel te weinig van om zo'n bewering al dan niet te steunen, maar ik ben wel tevreden dat ik hem gezien heb en eigenlijk zou ik hem minstens een 2de maal moeten bekijken.

De film van King Vidor ruimt daar heel wat minder plaats voor in, maar hij duurt dan ook 'maar' half zo lang : 3 uur en een half. Deze versie vormt eigenlijk een goed alternatief voor wie het echte werk niet ziet zitten wegens z'n lengte. Absolute troef is de ravissante Audrey Hepburn als Natasha, geflankeerd door een toch ietwat miscaste Henry Fonda en ook Mel Ferrer, Hepburns echtgenoot toen de film gedraaid werd en uitkwam (en die ik eigenlijk helemaal niet ken). Ook hier weer een groots opgezet project, maar meer op Westerse leest geschoeid, dus wat meer op actie en de intrige gericht dan Bondarchuks opus.

Eigenlijk vullen de twee films elkaar mooi aan en zijn ze beide de moeite van het bekijken waard. Iemand die nog geen van beiden heeft gezien, zou ik aanraden te beginnen met King Vidors versie, die toch kijkvriendelijker is en op sommige vlakken ook gewoon makkelijker om te volgen (zo toont de Amerikaanse regisseur op een begrijpelijker manier waarom en hoe de relatie tussen Natasha en vorst Bolkonski wordt afgebroken en heeft hij meer aandacht voor de Franse terugtocht uit Moskou en het bloedbad aan de Berezina). Wie daarna nog zin heeft in meer Oorlog en vrede kan het boek lezen of de Bondarchuks film trachten te bemachtigen of beide uiteraard.

Dit stukje vormt het eerste luik van een zogenaamd 'Napoleontische cyclus'. Hopelijk volgt binnenkort het tweede.

woensdag 29 april 2009

Erasmus (bis)


Als treinlectuur ben ik sinds een dikke week begonnen in een turf met werken van Erasmus. Voorlopig zit ik nog niet eens halfweg de inleiding en ik twijfel eraan dat ik het boek in een ruk ga uitlezen. Het is immers een soort van compilatie bestaande uit onder andere de 'Lof der zotheid', enkele adagia, colloquia en nog verschillende geschriften.
Bovendien is het een zwaar boek en dat elke dag meesleuren naar m'n werk, samen met boterhammen, de krant enz., wel da's niet meer evident op m'n oude dag...

Ik moet wel toegeven dat ik een liefhebber ben van de collectie Bouquins van de uitgeverij Robert Laffont. Ze is lang niet zo prestigieus als de Pléiade-reeks, maar biedt wat mij betreft heel wat interessante werken aan en de presentatie vind ik eveneens geslaagd. Daarnet heb ik overigens in deze reeks nog 'Contes' van Diderot besteld bij onze lokale boekhandel.

dinsdag 21 april 2009

Intermezzo

Als tussendoortje nog snel een stukje over "Les cyniques grecs. Fragments et témoingnages" dat ik vlak voor het paasverlof heb uitgelezen.

Net als enkele andere klassieke filosofische stromingen vind ik dat dit cynisme wel interessante inzichten te bieden heeft. Bovendien hebben ze ook geen volledig filosofisch systeem uitgewerkt, wat het voor buitenstaanders en niet filosofisch geschoolden makkelijker maakt om te begrijpen waar ze eigenlijk heen wilden. De cynici benadrukten dan ook dat hun levensstijl niet enkel voor een (intellectuele) elite was weggelegd, maar voor iedereen toegankelijk was, zolang je maar de nodige wils- en daadkracht aan de dag legde, want voor hen waren daden belangrijker dan woorden of concepten/ideeën of een grote eruditie.

Net als vele anderen, streefden ook zij geluk na (voor hen apathie), maar de manier waarop en hun definitie van geluk verschilde wel van wat men er doorgaans onder verstaat. Ze trachtten hun tijdgenoten te doen inzien dat deze zich eigenlijk enkel met bijkomstige zaken bezighielden, zoals het bevredigen van hun passies, in die mate dat ze/we er een slaaf van werden en zoals allerlei angsten die hen/ons in hun ban houden, terwijl we toch geen vat hebben op ons lot. Om hun medeburgers dit besef bij te brengen en hen wakker te schudden, moesten ze soms wel hun toevlucht nemen tot drastische middelen. Vandaar hun haast spreekwoordelijke onbeschaamdheid en het voortdurend uitdagen en omkeren van de maatschappelijke normen, wat dan weer tot gevolg had dat velen ze liever kwijt dan rijk waren.

De cynici plaatsten de mens op de derde plaats, na de goden (ook al waren enkele van de meest bekende cynici mogelijk atheïst), die geen behoeften hebben, en de dieren, die er zeer weinig hebben en volgens hun eigen aard leven, wat van de mens niet meer kon worden beweerd. Een sober leven, waarin men afstand doet van bezit en geen angst meer heeft voor tegenslag en de dood.

Nu wil ik niet beweren dat mijn levensstijl ook maar enigszins overeenkomt met wat zij of pakweg de stoïcijnen of epicuristen propageren (en evenmin, helaas misschien, wat de hedonisten voorstaan), want ik ben immers geëvolueerd naar wat ik in m'n jeugd zo verfoeide : een op en top burgerman met gezinnetje, huisje, tuintje en wat is het nog allemaal ? Niettemin helpt het bestuderen van deze filosofieën me wel degelijk om bij een aantal dingen stil te staan, sommige zaken anders te bekijken, bij te leren en het wapent me enigszins tegen minder aangename kanten in dit leven. Ook probeer ik daardoor anders t.o.v. de dood te staan, deze niet meer als afschrikwekkend te zien. Iets wat Seneca overigens zijn hele leven heeft getracht, waarmee hij eigenlijk aantoonde dat de dood hem obsedeerde (en toch angst aanjoeg).
Tot slot vind ik ook dat hun boodschap toch nog enigszins actueel blijft.
En daarnaast heb ik nog geleerd dat in het Grieks "les Bienveillantes" een eufimistische term was voor de furiën, wat meteen ook de titel van het boek van Jonathan Littell verklaart.

Enkele bekende cynici : Antisthenes, Diogenes, Bion, Crates en diens gezellin Hipparchia.

Tot slot nog een leuk citaat van nog een cynicus, Dio Chrysostom, over Diogenes : "Aussi, pensait-il, tout comme un bon médecin se doit d'aller au secours de gens là où les malades abondent, il convient pareillement que le sage s'établisse de préférence là où les imbéciles sont en plus grand nombre, afin de démasquer et de corriger leur stupidité."
Encore convient-il de savoir qui est un sage et qui ne l'est pas et de reconnaître la stupidité lorsque celle-ci se manifeste.