zaterdag 10 januari 2009

Over televisie (bis)

Intussen heb ik het boekje uitgelezen en al bij al was het niet zo hermetisch als ik vreesde.
Bourdieu klaagt het dictaat van de kijkcijfers aan, dat gaandeweg niet alleen de televisie, maar ook de geschreven pers de wet oplegt en zo een gevaar vormt voor de democratie. Waar vroeger televisie als journalistiek medium nog in zijn kinderschoenen stond en niet of nauwelijks serieus genomen werd, is dit helemaal veranderd en zijn het de dagbladen die invloed hebben verloren.
Over radio rept Bourdieu niet, mogelijk omdat dit medium al helemaal niet relevant meer was voor de meesten in onze Westerse wereld en het internet was in 1996 nog lang niet zo ingeburgerd als nu.

Televisie en televisiejournalisten leggen ons nu op wat belangrijk is en geacht dient te worden en wat niet. Tegelijk doet televisie zijn uiterste best om de kijker geen moeilijke en zeker geen gevaarlijke dingen voor te schotelen. Het moet toegankelijk blijven en het is de bedoeling de kijker in slaap te wiegen. Onderwerpen als het weer (hoe actueel) of non-nieuws over het begin of het verloop van de solden doen het dan ook goed ("pasklare ideeën"), want ze zijn nauwelijks controversieel. Ingaan op ogenschijnlijk uitzonderlijke, maar in wezen banale gebeurtenissen eveneens. Oppervlakkigheid is troef.
Ook nagelt hij een bepaald soort van (televisie)persoonlijkheden aan de schandpaal die goede maatjes zijn met de heersende machten of die regelmatig aan het woord komen als zogenaamde kenners of experten op een bepaald vlak, iets wat ze lang niet altijd zijn. Intellectuelen die zich tot dit spelletje lenen zijn volgens Bourdieu onder meer Alain Finkielkraut, Jules Ferry, Claude Imbert, Jacques Julliard, Jacques Attali of Alain Minc. Zonder natuurlijk de alomtegenwoordige BHL te vergeten, ook al vernoemt Bourdieu hem nergens. Immers, wetenschappers of kunstenaars die van hun (nog "integere") collega's onvoldoende erkenning krijgen, trachten dan maar via de pers bekendheid te verwerven en vergaren zo enige legitimiteit, omdat het publiek hen kent en ze doorgaan voor experten.

Daarnaast krijgen de economische belangen krijgen steeds meer greep op de journalistieke, wat ook een invloed heeft op hetgeen op televisie of in de krant komt en hoe het gebracht wordt. Maar hij stipt wel aan dat de economische realiteit lang niet de enige is waar rekening mee dient te worden gehouden.
Voorts heeft de kijkcijferdictatuur een steeds grotere invloed op de politieke wereld die onder steeds grotere druk komt te staan om afhankelijk van wat de publieke opinie bezighoudt of schokt snel met wetten en regels op de proppen te komen, zonder dat dit gepaard gaat met de nodige afstand of denkwerk.

Journalisten doen ook vaak aan navelstaarderij ; ze kijken in de eerste plaats naar zichzelf en de concurrentie, wat uiteindelijk leidt tot min of meer uniforme nieuwsgaring en -verspreiding (zie bij ons bijvoorbeeld de strijd tussen De Morgen en De Standaard, waarbij de ene steevast de andere de loef probeert af te steken, maar die in wezen nauwelijks van elkaar verschillen). Ook omdat steeds dezelfde gasten aan het woord mogen komen. En als er al eens een buitenstaander iets tracht te zeggen, beschikken televisiemakers over tal van technieken om storende stemmen het zwijgen op te leggen. Enfin, dit zijn allemaal dingen die u ongetwijfeld zelf ook al had kunnen bedenken ; Bourdieu legt het zoveel beter uit dan ikzelf.

Wat mij ook opviel, was de stelling dat voor heel wat mensen de televisie het enige medium is dat hen een contact verschaft met de buitenwereld. Tal van mensen lezen gewoon geen kranten of luisteren weinig of niet naar de radio. Dit was iets wat ik volledig uit het oog was verloren.
Of de pendelkrant 'Metro'. Ik heb geen idee hoeveel mensen hun wereldbeeld baseren op enkel de televisie en dit blad, maar ik huiver van het idee dat het er mogelijk vele zijn. Ik heb het eenmaal doorbladert en vond het een vrij ontnuchterende ervaring.

De auteur heeft met die werk niet de ambitie om concrete voorstellen of oplossingen aan te reiken (iets wat hij herhaardelijk aanstipt), maar wil de lezer hier wijzen op de mechanismen die aan het werk zijn om de televisiekijker vooral niet kritisch aan het denken te zetten.
Soms heb ik wel de indruk dat hij de socioloog op een voetstuk plaatst en wat me nog meer trof, is zijn pleidooi voor een soort van elitair onderwijs van de bevolking. Elitair in de zin van een elite die binnen zijn ivoren toren aan wetenschap of kunst doet, maar die deze ivoren toren ook moet verlaten om het volk op een bevattelijke wijze te onderrichten zodat het zich kan emanciperen.
Tevens vraag ik me af of zijn boek eigenlijk wel tot concreet resultaat heeft geleid. Heeft het naast enthousiaste of verontwaardigde reacties ook iets losgemaakt ; zijn de betrokken spelers/sectoren beginnen nadenken over hun rol en is er een verandering opgetreden ?
Voor zijn stellingen brengt hij wel bijna nooit enige empirische gegevens aan, terwijl hij toch zelf het belang ervan benadrukt in dit werkje.

Niettemin vond ik het zeer leerrijke, aangename en aanbevelenswaardige lectuur, al was het maar omdat dit debat belangrijk blijft. Bourdieu's stem is er een van de vele, zijn mening niet per se de enig juiste, maar alvast een die doet nadenken.

Voor wie zich wil verdiepen in deze thematiek kan ik ook nog twee werken van Serge Halimi aanraden (huidig hoofdredacteur van Le Monde diplomatique en iemand die eveneens uiterst kritisch staat tegenover de traditionele pers): Les nouveaux chiens de garde en L'opinion, ça se travaille.

Het volgende boek dat ik ga trachten te lezen, is er een van Paul Ricoeur : Wegen van de filosofie. Ik vrees dat het mijn petje wat te boven gaat, maar ik heb het ooit gekocht tijdens of vlak na m'n studententijd en wilde het al langer eens lezen. Ricoeur is nog zo'n groot denker, al is hij in het Nederlandstalige taalgebied niet zo bekend heb ik de indruk.

Geen opmerkingen: